Zoals een atleet zich bij de finish naar voren drukt, strekte de man zich uit en duwde zijn boodschappenkar voor die van mij bij de kassa. Zielig, niet comme il faut, dacht ik. De man, casual gekleed, keek me smalend aan met een blik van; jammer dan. De oudere vrouw die achter mij in de rij aanschoof, trok haar rechterwenkbrauw op. Ook zij was schijnbaar verbaasd.

Ach, het kon me niet zoveel schelen, het was mijn dag toch al niet. Bij vertrek naar de supermarkt constateerde ik dat ik vergeten was om de vuilnisbak aan de straat te zetten en bij aankomst in de winkel bleek dat ik mijn boodschappenlijstje thuis op tafel had laten liggen. Nat geworden door een regenbui had ik in allerijl een boodschappenkarretje met een vastlopend zwenkwieltje gepakt. Het ging alle kanten uit behalve de goede en leverde me verschillende commentaren en scheldpartijen op van mensen die door mij op de hielen werden gereden.

De voorpieper had zijn laatste boodschappen van de band gehaald en keek met een grote glimlach de kassière aan die hem de, in de supermarkt meest gestelde vraag stelde: ’Heeft u nog lege flessen ingeleverd?’ ‘Uh, ja!’, antwoordde de man met een glimlach en begon in de zakken van zijn regenjas te graaien. Er kwam van alles tevoorschijn, een dropje, een verfrommeld boodschappenlijstje, autosleutels, een pen, wat kleingeld, maar geen statiegeldbonnetje. Ik zuchtte zachtjes en keek naar de vrouw achter mij. Ze hield haar hoofd een beetje scheef, haalde licht haar schouders op en zei: ‘Kan gebeuren, meneer.’ De man voor mij graaide intussen in zijn broekzakken waar hij ook geen bonnetje vond en verplaatste beide handen naar de zakken van zijn colbertje.

De kassière leunde met haar armen over elkaar naar voren en keek met een nieuwsgierige blik op de man die af en toe nog steeds naar haar glimlachte. Nadat de man ook de binnenzakken van zijn regenjas en colbertje had onderzocht eindigde de zoektocht bij het borstzakje van zijn jasje. Triomfantelijk hield hij het bonnetje omhoog en gaf het aan het meisje achter de kassa.

‘Dat wordt dan € 58,43’, zei het meisje vriendelijk. De man greep in zijn binnenzak van zijn colbertje. Ik vreesde wederom een uitgebreide zoektocht maar in plaats daarvan trok hij snel zijn portefeuille en haalde daar een briefje van vijftig en tien uit. ‘Heeft u er misschien € 0,43 bij?’, vroeg het meisje.

Het graaien begon weer. Fronsend keek ik naar de vrouw achter me die mijn blik beantwoordde met: ‘Kan gebeuren, meneer.’ Ja, ja, dacht ik, alles kan vandaag gebeuren. Mijn gelatenheid was inmiddels omgeslagen in een lichte irritatie. Vanuit alle zakken kwam kleingeld dat uiteindelijk dan toch nog aan de kassière overhandigd werd. ’Sorry meneer, maar u komt 12 cent te kort’, zei het meisje streng maar vervolgde vriendelijk met ‘U kunt ook pinnen hoor.’ Pinnen, zelf deed ik het ook altijd. Ik had nooit geld op zak. Waarom had die man niet gelijk zoals bijna elke Nederlander kunnen pinnen, dacht ik. De man die in mijn beleving al meer dan een kwartier stond af te rekenen, nam het kleingeld weer terug, zei tegen de kassière dat ze het wisselgeld mocht houden en liep met boodschappenkar en straffe loop weg.

Eindelijk, ik was eindelijk aan de beurt. Als een idioot haalde ving ik de gescande boodschappen op en smeet alles direct in het karretje. Het inpakken van de tassen kwam later wel als ik had afgerekend. Maar zonder pinpas kon ik niet afrekenen, die zat in mijn portefeuille die in de auto lag.

Hulpeloos keek ik van de kassière naar de vrouw achter mij. Ik wist wat ze wilde gaan zeggen.

 

 

Herinnering
Het was een wilde dag

Pin It on Pinterest