Kl - 300Naast mij, voor het schilderij De Stier van Paulus Potter in het Mauritshuis te Den Haag, stonden twee meiden van een jaar of twintig opzichtig te giechelen zoals alleen meisjes van die leeftijd dat kunnen, ongegeneerd beschaafd. Ze waren lang, slank en toch iets stevig. Beiden waren ze modern en enigszins slordig gekleed. Studentes marketing & communicatie, dat type. Een blonde en een donkere.

‘Mozes, moet je die kloten zien Esmée, wat een ballen!’, lachte de blonde met haar hand voor haar mond. Haar vriendin ‘Die van Jeroentje vallen hierbij in het niet, toch? De donkere keek gegeneerd om zich heen. ‘Doe niet zo flauw’ siste ze, waarbij ze haar lachen nauwelijks in kon houden.

‘Jaaah, Esmée, die van Jeroentje kan je in één hand vasthouden hé?’, riep ze veel te luid. Nu was de zaal niet overvol maar juist voor dit schilderij stonden toch redelijk wat mensen.

Een oudere vrouw haalde één wenkbrauw op, een andere studente lachte hardop en een bejaarde man glimlachte.

‘Moet dat nou?’, vroeg de donkere enigszins gepikeerd aan haar vriendin. Maar het scheen zo te moeten want ze antwoordde op nog luidere toon: ‘Zeg het nu maar eerlijk, want gister zei je nog dat je Jeroentje bij z’n ballen had.’

De goedkope woordspeling schoot duidelijk in het verkeerde keelgat. De donkere raakte geïrriteerd en begon met haar ogen te rollen. ‘Jezus, Amber, kappen nou met die ongein’, kreunde ze. Maar Amber wist van geen ophouden.

‘Hé Es, geeft niets hoor! Je weet toch wat ze zeggen, wie het kleine niet eert, is het grote niet waert!’ De donkere pakte met een ruk haar rugzak. ‘Ben d’r helemaal klaar mee’, riep ze en liep weg. De blonde keek me verbaasd aan, haalde haar schouders op en zei, ‘Tsja meneer, ze is een echte Stier.’

 

 

Hulpeloos
Troost

Pin It on Pinterest