Kl - 300Aan het eind van de middag zat ik op een terrasje te kijken naar kinderen die al rennend waterstralen van een grondfonteintje probeerden te ontwijken. Elkaar uitdagend stonden ze beurtelings op een tegel wachtend op een straal die komen zou, om dan vervolgens op tijd weg te rennen en niet nat te worden. Een moeder stond met afkeuring te kijken. Het was een mooi tafereeltje.

Een stukje verderop, midden op het plein, Stonden twee kinderen van een jaar of acht in de lucht te kijken. Het meisje met twee lange staarten die losjes over haar capuchon hingen, stond druk gebarend naar de hemel te wijzen. Ik volgde haar gebaren maar zag, net zoals het jongetje naast haar, niets. Ze stompte de jongen op zijn schouder om haar schijnbare argument kracht bij te zetten. Hij keek omhoog en schudde zijn hoofd en keek vervolgens naar het meisje dat zichtbaar teleurgesteld haar schouders ophaalde.

In een laatste poging sloeg ze een arm om zijn schouders, trok zijn hoofd naar haar toe en tekende met een uitgestrekte arm en vinger in de lucht. Toen begreep ik het. Ze zag, zoals zoveel kinderen dat kunnen zien, een figuur in de wolken.

Pareidolia, dacht ik toen ik een slokje van mijn versnapering nam, en dacht terug aan een van de lessen psychologie waarin het verschijnsel verklaard werd door een bijzondere jonge en mooie docente. Het had iets met een automatische hersenfunctie en zelfbescherming te maken. Meer had ik er niet van onthouden.

Toen ik afrekende waren de kinderen verdwenen, het plein leeg en de lucht egaal grijs. Op weg naar huis passeerde ik een oude boom. Ik weet niet meer of het nu het drankje was dat ik op het terrasje genuttigd had of dat ik aan pareidolia leed, maar ik zou zweren dat de boom mij aankeek.

 

 

Het was een wilde dag
Van boven de sloot

Pin It on Pinterest