De overhangende bomen filterden het zonlicht dat het wandelpad een sprookjesachtige sfeer gaf. Stroken zonlicht schenen door de gele, bruine en soms nog groene bladeren wat het geheel deed lijken op een schilderij van Barend Cornelis Koekkoek.

‘Maar oma, dit is toch mooi’, zei een van de vrouwen op het bankje.

‘Ja kindje, antwoordde de oude vrouw gelaten, ‘het is mooi.’

‘Probeer er maar van te genieten dan, hé, het is maar eenmaal per jaar herfst en straks is het hier allemaal kaal.’

De oude vrouw knikte alsof ze de woorden van haar kleindochter bevestigde en keek starend voor zich uit. Een stukje verderop liep een vrouw met haar hond en haar zoontje die als een volleerd profvoetballer tegen een hoop bladeren schopte. De kleindochter keek haar oma van opzij aan en pakte haar hand vast. Het leer van de handschoen voelde koud aan.

‘Ik mis hem nog elke dag’, klonk het zachtjes.

‘Toen je opa elf jaar geleden overleed, dacht ik dat ik hem snel zou volgen…’

De zin bleef hangen in de stilte.

‘Wie, opa?’

De oude vrouw gaf geen antwoord en sloot een kort moment haar ogen.

‘Opa heeft een mooi leven gehad’, hervatte de kleindochter het gesprek en kneep haar zacht in haar hand. ‘En ik mag hopen dat ik ook ooit zou oud als hem mag worden. Drieëntachtig is hij toch geworden? En u bent nu toch tweeënnegentig?’

‘Eenennegentig’, corrigeerde ze haar kleindochter. ‘Toen je opa elf jaar geleden overleed, dacht ik dat ik hem snel zou volgen…’ Ze maakte haar zin niet af, in plaats daarvan zei ze: ‘Kom Marloes, we gaan hier niet zitten somberen, we gaan verderop een lekker bakje thee drinken.

Ze ondersteunde haar oma bij het opstaan en beiden schuifelden langzaam verder. De kleine jongen gooide met een wijds gebaar een hoopje bladeren in de lucht, de hond sprong ernaar en blafte. De oma glimlachte.

 

[Kleinigheden – 042 – 300 – 161104 – Naderende dood]

 

Oeverloos gepruts
Goedmaken

Pin It on Pinterest