De blauwe dampen van uitgeademde nicotine en teer kwamen me, tezamen met de lucht van verschaald bier, tegelijk tegemoet toen ik het donkere kroegje binnen stapte. Hij had al een biertje voor me klaargezet en zat zelf al aan zijn tweede glas Duvel, zijn favoriete biertje. Niet veel later verkasten we van de bar naar een tafeltje om de raadsvergadering te evalueren en om nog eens rustig verder te praten.

We spraken veel, we dronken veel en we rookten veel. We waren betrokken en bevlogen. Opportunistisch waren we ook toen we Onafhankelijk Schouwen-Duiveland (ONS) oprichtten. Een nieuwe politieke partij die de boel zou opschudden. Een partij met een realistische politiek en met meer oog voor de inwoner dan het pluche.

‘Weet je het zeker dat we het moeten doen?’, vroeg hij me nog.

Ik knikte.

‘Weet je het héél zeker? Je raakt je column in de Wereldregio kwijt, weet je.’

Hij wist dat ik aan m’n column in de Regio verknocht was, en we wisten allebei dat ik ‘m op zou moeten geven.

‘Je kunt voor de nieuwe partij, zoveel columns schrijven als je wilt’, beargumenteerde hij nog. Zou hij zelf ook doen. Een polemiek met Wout van den Berg leek hem wel wat.

Ik zweeg.

‘We doen het!’, zei hij even later en een week later spraken we z’n vijven in De Biet over de oprichting.

Het was pijnlijk dat we net niet genoeg stemmen kregen voor een zetel in de raad. Jos leed er zichtbaar onder. Jaren had hij zich voor de lokale politiek ingezet en had hij er deel van uitgemaakt, om opeens vanaf de zijlijn toe te moeten kijken. Iets waar hij totaal niet op had gerekend.

Het was pijnlijk dat we net niet genoeg stemmen kregen voor een zetel in de raad. Jos leed er zichtbaar onder.

Niet veel daarna werd hij geconfronteerd met zijn ziekte, had hij ook niet op gerekend. Ik sprak nooit met hem over zijn ziekte. De enige daaraan gerelateerde mededeling die hij daarover deed, was dat het ziekenhuis te Antwerpen top was en de zorg daar beter was geregeld dan in Nederland. Ook mocht hij van zijn behandeld arts blijven roken en drinken. Top.

Verder spraken we met elkaar over alles wat er op het eiland en in de wereld gebeurde. Altijd onder het genot van een shagje en een drankje. Geen Duveltje meer, dat was nu te veel van het goede. Een klein glaasje rode zoete likeur verdroeg hij beter.

Mei vorig jaar zaten we op twee stoeltjes buiten voor het kroegje met een biertje en een likeurtje tussen ons in. Toen hij me die morgen belde met de mededeling dat het weer eens tijd was voor een borreltje en dat hij me iets te vertellen had, schrok ik me het leplazarus. Het was echter goed nieuws dat hem blij maakte. Zijn stem zou weer gehoord worden. Dit keer via de Regio. Daar dronken we op. Trots als een pauw liet hij mij op zijn telefoon, z’n eerste drie columns lezen. Hij zou er uiteindelijk in totaal negen schrijven. Zijn laatste, jongleren met Wout, was een van zijn mooiste. Waarom? Omdat hij al sinds de gemeenteraadsverkiezingen een polemiek wilde voeren met Wout van den Berg. Het is er niet van gekomen.

‘Wie maak zich eigenlijk nog druk?’, vroeg hij zich in zijn eerste columns in de Wereldregio af. Ik wist zonder de columns te lezen het antwoord al: hijzelf.

Vanmorgen werd ik gebeld met de mededeling dat Jos Beije was overleden. Ik vroeg me af wie zich nu druk zou moeten maken.

 

[beSchouwenD – 030]

 

Politie(k) begrijpt dat mensen moedeloos worden
Ik ben Rudolf het rendier

Pin It on Pinterest