Het was nu niet dat je over de hoofden kon lopen maar het was gezellig druk in het centrum van Zierikzee deze laatste zaterdag voor Kerst. In mijn zoektocht naar een laatste kerstcadeautje loop ik meneer Tiebot tegen het lijf, of liever gezegd, hij mij bijna. Net als vele anderen doe ik een stap achteruit als hij met zijn wijd gespreide handen naast zijn hoofd, een stap naar voren doet en roept: ‘Ik ben Rudolf het rendier!’

Ik wilde nog zeggen dat ik in dat geval de kerstman was maar in plaats daarvan vraag ik: ‘Hey, hoe gaat het met u, meneer Tiebout?

Hij kijkt me verschrikt aan maar herpakt zich snel. ‘Goed, maar wie bent u eigenlijk?’

Nu moet ik me herpakken en nadat ik hem geantwoord heb begint er iets bij hem te dagen en herinnert hij mij zich weer. ‘Kom ik in de krant?’, vraag hij vervolgens nieuwsgierig.

‘Nee, maar ik kan u wel kort vermelden in een van de stukjes die op internet komen, antwoord ik.’ Meneer Tiebout kijkt me bedenkelijk aan, fronst even en mompelt dat hij geen internet heeft. Dan vraagt hij of ik het een beetje gevolgd heb. Aan mijn gezicht ziet hij direct dat ik het, wat het dan ook is, niet gevolgd heb.

Hij schud zijn hoofd en dan kijkt hij naar links om vervolgens naar rechts te kijken om zijn beste publiek in te schatten. Nogmaals kijkt hij van links naar rechts, wacht even, doet een stap naar voren en roept weer luid: ‘Ik ben Rudolf het rendier’.

Enkele voorbijgangers doen verschrikt een stap opzij, anderen stoppen. Meneer Tiebout rijmt er vervolgens op los.

‘Ho, ho, ho,’, roept een jonge vrouw lachend als ze voorbijloopt en Tiebout over de Kerstman hoort roepen. Een man loopt glimlachend en voorzichtig naar me toe en gaat naast me staan en een vrouw van middelbare leeftijd werpt me een verstandelijke blik toe en loopt hoofdschuddend door.

Voordat ik hem nog een keer kan zeggen dat het niet in de krant komt, drukt hij me op het hart dat ik wel zijn naam eronder moet zetten.

‘En, hoe vond je dat, mooi? Ik knik. ‘Zet het gedicht maar in de krant.’ Voordat ik hem nog een keer kan zeggen dat het niet in de krant komt, drukt hij me op het hart dat ik wel zijn naam eronder moet zetten. ‘Schrijf je het wel goed?’ vraagt hij en begint gelijk zijn naam te spellen. ‘Leen, ik heet Leen van voren, zet dat er ook maar bij, en een filmpje. De kerstgroeten van Leen Tiebout, zet dat er ook maar onder’, zegt hij.

Nadat we hebben afgesproken dat er een foto wordt gemaakt in plaats van een filmpje en dat ik ‘m kort vermeld in een stukje, bedankt hij me en neemt hij snel afscheid. Twintig meter verder doet wij weer een stap naar voren met weer dezelfde reacties van de voorbijgangers, vaak met een glimlach.

Ik ben Rudolf het rendier, dat zie je toch wel? Ik zit vandaag niet zo lekker in m’n vel. Hebben jullie soms de Kerstman gezien? Ik mis hem al een minuut of tien Ik trok daarstraks nog de slee door de lucht Maar het was geen voorspoedige vlucht Want we hebben de Dikke Toren geraakt En die is niet van bordpapier gemaakt We vielen allebei omlaag Waar is ie gebleven dat is de vraag Mocht ie soms bij jullie binnen stappen Laat hem dan niet ontsnappen En voor jullie, zo gezellig bij elkaar wens ik een prettige kerst en een gelukkig nieuwjaar

U moet dus de kerstgroeten van Leen Tiebout hebben. Bij deze, zoals beloofd.

Tot zover de korte vermelding van Leen in een stukje, denk ik, heeft hij het toch weer voor elkaar. M’enfin, geeft niet, Overigens heeft u ook de kerstgroeten van mij. Dat mocht ik wel onder zijn gedicht zetten.

 

[beSchouwenD – 029]

 

Jos
Dickens in Zierikzee

Pin It on Pinterest