Kl - 300‘Ga ge pinten vatten? Ni te zat en om wat uur gaat ge thuis denkt ge?’ Hij hoorde de woorden galmen toen hij voorovergebogen door de straten van zijn geliefde d’Anvers, of liever gezegd Antwerpen liep. Want hoewel hij tweetalig was ging zijn voorkeur uit naar het Vlaams. Elke dag liep hij hetzelfde stukje door dezelfde straten met dezelfde mensen. Om te recupereren van zijn hartoperatie van vijf maanden geleden moest hij in beweging blijven hadden de doctoren gezegd. En dus liep hij elke dag hetzelfde stukje wat hij al sinds zijn pensionering jaren geleden liep. Halverwege stopte hij altijd om bij de Jean twee pintjes te vatten. Soms vatte hij er drie. Daarna liep hij weer naar huis. Bij de Jean was het altijd gezellig en trof hij altijd zijn twee goede vrinden. Om drie uur werden de eerste pintjes door de Jean op het tafeltje gezet. Soms dronk de Jean er een mee, maar veelal trok hij zich terug achter de toog.
Halverwege stopte hij altijd om bij de Jean twee pintjes te vatten.

Deze middag was het wat frisjes en zat er regen in de lucht. Hij had zijn regenjas aangetrokken, voor het geval dat. Voorovergebogen liep hij tegen een lichte bries in die door de straat jaagde toen hij die woorden weer hoorde: ‘Ga ge pinten vatten? Ni te zat en om wat uur gaat ge thuis denkt ge?’

Die woorden zaten in zijn hoofd. Elke dag opnieuw hoorde hij ze. Meer dan vijftien jaar had zijn vrouw hem met deze woorden uitgeleide gedaan. Nu niet meer. Nu was hij alleen. Eenenvijftig jaar was hij met Lieve getrouwd geweest, tot hij op een middag thuiskwam van zijn rondje. Doodstil had ze in haar stoel gezeten, letterlijk, doodstil.

Nu was hij ook bijna aan de meet. Hij voelde het. Hij zou snel weer thuis zijn, dacht hij, bij haar.

 

[Kleinigheden – 030 – 300 – 160629 – Aan de meet]

 

Ik ben verslaafd
Verlaten

Pin It on Pinterest